![]() |
Jan van der Sloot (‘Jan 33’) werkte tijdens de eerste bezettingsjaren in Delft in het kader van zijn hulpverlening aan joden samen met mr. C.G. (Cees) Chardon en A. (Aad) van Rijs, die beiden in 1945 in Duitse kampen om het leven kwamen. In maart 1943 werd hij LO-lid, later plaatselijk LO-leider. Daarnaast was hij medewerker van de illegale bladen Trouw en Op Wacht. Bij de KP-overval (op 26 februari 1944) op het Delftse Hoofdbureau van politie, onder leiding van L.M. Valstar, opende politieman Van der Sloot de achterdeur van binnenuit: drie gevangenen werden bevrijd en 38 pistolen buitgemaakt. Na de arrestatie en insluiting van Valstar (op 15 mei 1944) op het politiebureau van Delft, hielp de dienstdoende Van der Sloot hem door onder andere diens zakboekje en ander bezwarend materiaal uit de cel te laten verdwijnen. Nadat hij, na een schietpartij, aan arrestatie kon ontkomen (op 9 augustus 1944), dook Van der Sloot onder bij zijn ouders in Rotterdam en werd hij KP-districtsleider/ verbindingsofficier van Zuid-Holland-Zuid (Westland/Delft/Rotterdam). Op 13 oktober 1944 werd hij op het verzetsadres Laan van N.O.-Indië 240 in Den Haag aangehouden door postende Sipo-medewerkers, overgebracht naar het Oranjehotel en op 6 november 1944 op de Waalsdorpervlakte gefusilleerd. |
|||

