![]() |
Janus de Rooij werkte als bediende in een kruidenierszaak en woonde bij zijn ouders op het adres Nieuwemeerdijk 121 in Badhoevedorp. Tijdens de bezettingsjaren ontving hij via het Gewestelijk Arbeidsbureau meerdere oproepen zich te melden voor de arbeidsinzet in Duitsland. Bij daaropvolgende medische onderzoeken werd hij steeds afgekeurd. Hij nam niet deel aan het verzet. Op 2 januari 1945 diende De Rooij zich wederom te melden bij het GAB, ditmaal om langs wegen putten te graven voor de Duitse Wehrmacht. Hij weigerde te verschijnen en verbleef sindsdien, semi-ondergedoken, bij een familie aan Nieuwemeerdijk 295. Op of omstreeks 24 januari 1945 werd De Rooij, samen met H. (Rikus) Kemp en H.W. (Henk) Loddema, op verdenking van illegaal slachten (in stukken wordt gesproken over een schaap en een koe: mogelijk voor de Wehrmacht bestemd vlees of Wehrmachtsvoorraad) door leden van de Feldgendarmerie aangehouden en enige dagen later overgebracht naar het HvB-Weteringschans in Amsterdam. Op 4 april werden de twee medegearresteerden naar de gevangenis in Utrecht overgeplaatst en de dag daarna, samen met acht anderen, in het kader van een represaillemaatregel bij perceel Soestdijkerweg 6 in Den Dolder (gem. Zeist) doodgeschoten. De Rooij werd op 6 april 1945 in Limmen gefusilleerd. |
|||

