![]() |
Ary Prins studeerde sinds 1939 geologie aan de Universiteit van Amsterdam en was voorzitter van dispuut Pallas van het ASC. In 1942 werd hij door de Sipo verdacht van medeplichtigheid aan een in Delft (door Ch.J.C. Hugenholtz) gepleegde liquidatie van een verrader. Hij werd verhoord, mishandeld en diende zich voortaan tweemaal daags te melden bij de Sipo. Tijdens de studentenacties in de lente van 1943 spoorde hij zijn medestudenten aan de loyaliteitsverklaring niet te tekenen. Voor de inlichtingengroep Rolls Royce verzamelde hij in het hele land gegevens over vliegvelden, bunkers en dergelijke. In september 1944 werd hij in Amsterdam door oud-dispuutgenoot D. de Geus geworven voor de BS. Het Pallas-dispuutshuis aan Zwanenburgwal 42 werd ‘doorvoerstation’ van wapens. Diezelfde maand werd Prins tijdens het afleveren van wapens op een door de Sipo bezet adres gearresteerd. Onderweg naar kamp Amersfoort zag hij kans te ontsnappen door zich bij Laren uit de rijdende vrachtwagen te laten vallen. Op 16 december 1944 werden Prins en een vriend tijdens een spionagetocht bij Barneveld gearresteerd. Tijdens de zware verhoren zweeg Prins, maar zijn vriend sloeg door en gaf informatie over en de sleutel van het Pallashuis. In de vroege ochtend van 19 december werden hier alle aanwezigen door de Sipo gearresteerd. Op 7 januari 1945 werd Prins in Limmen gefusilleerd. |
|||

