![]() |
Bertus van Grouw vormde vanaf begin 1941, samen met andere oud-AJC’ers, contactgroepen van jongeren teneinde hen geestelijk te wapenen tegen de propaganda van het nationaal-socialisme. Fel gekant was hij – zelf verloofd met een joods meisje – tegen de aanmelding/registratie van joden (voorjaar 1941) en de invoering van de jodenster (mei 1942). In de loop van 1942 begon hij – eerst individueel, later in het kader van de Vrije Groepen Amsterdam – met de verzorging van joodse landgenoten, zoals veertien onderduikers op de bovenste verdieping van café-cabaret Alcazar aan Thorbeckeplein 5. Hij zocht daarnaast onderduikadressen, richtte schuilplaatsen in en regelde (valse) persoonsbewijzen en distributiebescheiden. In 1944 ging hij voor het Nationaal Steunfonds werken, eerst in los verband, later als vast medewerker van Vakgroep J – speciaal gericht op financiële steun aan joodse onderduikers – onder Sj. de Vries. In januari 1944 werd Van Grouw door de Sipo gearresteerd op verdenking van het verlenen van onderdak aan een aantal joden in zijn woning aan Allard Piersonstraat 14-III. Doordat de onderduikers kort daarvoor elders waren ondergebracht, werd hij wegens gebrek aan bewijs vrijgelaten. Op 24 maart 1944 werd hij opnieuw aangehouden. Na gevangenschap in het Oranjehotel in Scheveningen en de kampen Vught en Sachsenhausen, overleed hij op 6 februari 1945 in een Aussenlager van KL Neuengamme in Hamburg. |
|||

