![]() |
Ton Bosse woonde in de eerste oorlogsjaren in zijn ouderlijk huis in Haarlem en werkte als bediende in de kantoorboekhandel van zijn vader. Toen hij zich medio 1943 in het kader van de jaarklassenactie moest melden bij het GAB voor tewerkstelling in Duitsland, dook hij onder bij het echtpaar Jan Loos/Cor Loos-Schipper in Opmeer. Na hier eerst aangesloten te zijn geweest bij de OD, werd hij in september 1944 lid van de BS, gewest 11 Noord-Holland-Noord, commando Afwerpterreinen. Tot zijn taken behoorden het verbergen en bewaken van door de geallieerden op het afwerpterrein ‘Mandrill’ (achter de boerderij van Jan Schipper aan de Zomerdijk tussen Spanbroek en Wognum) gedropte wapens. Tussen 9 september – toen BBO-agenten T. Biallosterski en P. de Vos afsprongen – en medio november 1944 vond op dit weiland negenmaal een dropping plaats, waarbij in containers wapens (stenguns, brenguns, Winchester karabijnen, bazookas, handgranaten), munitie, springstof en sabotagemateriaal (tijdpotloden en brandbommen, slagpijpjes, trekkerontstekers, e.d.) werden afgeworpen. Een deel bleef in het gewest, de rest werd vervoerd naar de Zaanstreek, Amsterdam, Haarlem en het Gooi. Als gevolg van de arrestatie van de broer van Loos en de hierop volgende gebeurtenissen, werd Bosse op 26 februari 1945 door Landwachters uit Hoorn gearresteerd en overgebracht naar het HvB-Weteringschans in Amsterdam. Op 8 maart 1945 werd hij gefusilleerd. |
|||

