Abraham Bronkhorst was in Den Haag directeur van de Nederlandse vestiging van Herbert Terry & Sons Ltd en alleenvertegenwoordiger van Dunhill Ltd. Na op 30 oktober 1940 wegens zijn anti-Duitse houding te zijn opgepakt, verbleef hij tot 14 januari 1941 – toen hij met een schilderij werd vrijgekocht – in gevangenschap in het Oranjehotel in Scheveningen. Op 26 september 1942 werd hij, nu als jood, voor de tweede maal gearresteerd en op 1 oktober naar kamp Westerbork vervoerd. Twee dagen later ontsnapte hij – zijn echtgenote, Lea Bronkhorst-Lelie, kwam op 25 januari 1943 in Auschwitz om het leven – en dook hij enige tijd later onder bij zijn gemengd-gehuwde dochter en schoonzoon Sonja en Eduard van der Hert-Bronkhorst in Den Haag. Nadat hier een half jaar later een huiszoeking had plaatsgevonden, dook hij uit veiligheidsoverwegingen elders onder. In september 1943 moest hij halsoverkop zijn onderduikadres bij mevrouw J.S. Snitsler-Houben in Den Haag verlaten, nadat haar neef G.J. Sanders was gearresteerd. In juni 1944 werd Bronkhorst in Amsterdam gearresteerd en na korte tijd, ‘vluchtgevaarlijk’, opgesloten in de strafcel van kamp Westerbork. Na een mislukte poging opnieuw te ontsnappen, werd hij overgeplaatst naar het HvB-Assen en vervolgens naar de Sipo-Aussendienststelle in Amsterdam vervoerd. Op 15 augustus 1944 werd hij in het duingebied bij Overveen gefusilleerd.